Apurina Awiri

De Apurinã staan ​​bekend om hun groene Rapé, uniek en totaal anders dan de andere stammen in de regio. Het is gemaakt van een heilige plant genaamd Awiry, door sommigen beschouwd als een soort wilde tabak.

De Rapé Apurina Awiry bevat geen as of tabak; alleen gemalen en fijn gezeefde Awiri-bladeren die het zijn karakteristieke groene kleur geven, en het is een perfecte variëteit voor diegenen die een nicotinevrije snuiftabak willen.

Om tabakssnuiftabak te maken, wordt de tabak tijdens het drogen gefermenteerd en tot stokjes of touwen gerold voor opslag. De Awiry daarentegen wordt niet gefermenteerd of verwarmd; het wordt gewoon gedroogd en vervolgens direct gemalen, zodat het zijn groene kleur behoudt en kan worden beschouwd als een rauwe en levende snuiftabak.

Onder de Apurina cultiveren slechts enkele gemeenschappen een draad; het grootste deel van het gewas moet worden geoogst. Hij groeit aan de oevers van rivieren en kan alleen in het droge seizoen worden geoogst, want als de rivier stijgt, staat het gebied waar deze plant leeft onder water. Om deze reden wordt deze snuif als zeldzaam en speciaal beschouwd.

Terwijl de meeste inheemse Rapés in een Kuripé of Tepi worden geblazen, wordt de Apurinã Awiry traditioneel door een buis ingeademd, vergelijkbaar met hoe sommige stammen Yopo gebruiken.

– Intensiteit: Mild

-Aandeel: 100% Awiry

-Stam: gemaakt door de Apurina-stam

-Samenstelling: Awiry laat gemalen en gezeefd.

-Grootte: flacons van 10 ml

-Gebruik: Etnobotanische nieuwsgierigheid. Exclusief gebruik voor wetenschappelijke, historische en rituele studie.

28,00

De Apurina-stam

De Apurina leven verspreid op plaatsen dicht bij de oevers van de Purus. Ze hebben een rijk kosmologisch en ritueel universum, ondanks het feit dat hun geschiedenis sterk is beïnvloed door geweld ten tijde van de rubberteelt in het Amazonegebied.

Vandaag blijven ze vechten voor hun rechten; sommige van hun landerijen zijn nog niet officieel erkend en worden voortdurend binnengevallen door houthakkers.

Sommigen beweren dat Apurinã, of in zijn oudere vorm Ipuriná, een woord is uit de Jamamadile-taal. De zelfidentificatie van de groep is popũkare. Sommige oude teksten verwijzen naar het woord kãkite als de zelfidentificatie. Kãkite betekent “mensen”, maar volgens sommige Apurinã betekent kãkites eenvoudigweg “mensen” in de zin van de menselijke soort (“Ik zag mensen”, evenals “Ik zag apen” of “Ik zag jaguar”), in plaats van in de zin van een individuele gemeenschap of etnische groep.

De Apurinã-taal is een lid van de Purus-tak van de Maipure-Aruak-familie (Facundes, 1994). De meest verwante taal is die van de Manchineri, of Piro, die de bovenste Purus in Brazilië bewonen en, in Peru, voornamelijk de lagere Urubamba-vallei. Sommige Apurinã beweren dat ze ook een beetje van de Kaxarari-taal kunnen begrijpen.

De Apurinã bewonen 27 inheemse landen, in verschillende stadia van het officiële erkenningsproces; Twintig zijn volledig afgebakend en geregistreerd, drie zijn aangegeven voor exclusief gebruik en vier bevinden zich in de fase van identificatieonderzoek. De totale oppervlakte van deze volledig afgebakende inheemse gebieden is 1.819.502 hectare; van deze twee worden gedeeld met de Paumari van Lake Paricá en de Paumari van Lake Marahã en één met de Thora, in het inheemse land met dezelfde naam.

De Apurinã van de regio Pauini zijn verdeeld in twee clans: Xoaporuneru en Metumanetu. Het lidmaatschap van een van deze groepen wordt bepaald door vaderlijke afstamming. Voor elk van de clans zijn er verboden op wat men wel en niet mag eten. Het juiste huwelijk is tussen Xoaporunenu en Metumanetu, aangezien het huwelijk tussen leden van dezelfde clan dezelfde overweging heeft als het trouwen met broers. Dit is bovendien de term die twee leden van hetzelfde deel kunnen gebruiken wanneer ze elkaar aanspreken (nutaru, broer, nutaro, zus), net zoals Xoapoporuneru en Metumanetu soms nukero (schoonzus) of nemunaparu (broer) worden genoemd. rechts). De namen van de mensen geven aan tot welke van de “naties” ze behoren.

 

De Apurina-mysticus

“Wie is jouw God? Ik weet het niet; ik weet alleen dat zijn naam Tsora is.”

Artur Brasil Apurinã, Mũpuraru, Artur de sjamaan, spreekt dus over Tsora of, in zijn vertaling: God. Tsora is de schepper van alles op aarde en daarom wordt hij God genoemd. Het verhaal van Tsora, het verhaal van het begin van de wereld, van het begin van alles, begint altijd in zijn verschillende versies met Mayoroparo, of ‘nadat de aarde in brand vloog’. Mayoru betekent gier en Mayoroparo is een monsterlijke vrouw, een heks die de botten verslond van degenen die ongehoorzaam waren en de botten bewaarde van degenen die gehoorzaamden.

Tsora schiep mensen en de verschillende soorten mensen, de verschillende volkeren: Apurinã, blanken, andere Indiërs. Hij voerde verschillende tests uit in deze steden en de Apurinã deden het altijd slechter dan andere Indiërs en blanken. Om deze reden, zeggen de vertellers, zijn de Apurinã, ondanks dat ze “de beste zijn”, klein en onderling verdeeld.

Een andere Apurinã-legende is die van het Heilige Land en de Otsamaneru-stam. De Apurinã waren onsterfelijk en leefden in een land waar niets ziek werd of stierf. Ze vergezelden de Otsamaneru, reizend tussen het ene land van onsterfelijkheid en het andere. Ze waren echter te betoverd door de dingen die ze vonden in de “dodelijke landen” die tussen de heilige landen liggen, en bleven er uiteindelijk in.

De Kaxarari worden vaak geïdentificeerd als de metgezellen van de Apurinã op deze reis. Volgens sommige verhalen reisden de drie steden samen: Kaxarari, Apurinã en Otsamaneru. De Kaxarari waren de eersten die betoverd werden door de vruchten van de “sterfelijke landen”, en daarna de Apurinã; terwijl de Otsamaneru hun reis voortzetten.

 

Apurina rituele vieringen

De rituele vieringen van de Apurinã, in het algemeen bekend als Xingané (in Apurinã, kenuru), variëren van kleine nachtelijke zangsessies tot grootschalige evenementen waarbij uitnodigingen voor verschillende dorpen betrokken zijn en waarbij feesten, cassavewijn, bananen en palmfruit worden aangeboden. Bij sommige gelegenheden zijn dit rituelen om de zielen van de doden tot bedaren te brengen, direct na hun dood of op jubilea. In dergelijke gevallen staat het ritueel volgens Abdias bekend als isaĩ.

Een Xingané begint met een rituele confrontatie. De gasten komen gewapend, beschilderd en versierd uit het bos. Ze komen gillend. De gastheren, eveneens bewapend, gaan hen tegemoet. Wanneer ze de leiders ontmoeten, komen ze naar voren en beginnen te ruziën, snel en luid sprekend (deze dialoog wordt “cortar sanguiré” genoemd in het Portugees en katxipuruãta in Apurinã), de hele tijd met hun geweren op elkaars borst gericht. . Daarachter staan ​​de andere leden van de groep, in de aanslag, en met hun wapens op dezelfde manier gericht op degenen die bij de discussie betrokken zijn. Als de stemmen wegvallen, doen de wapens dat ook, en de leiders nemen elkaar de tabak uit handen.

Aan het begin van het gesprek verklaren ze elkaar niet te kennen en vragen ze wie het is. Dan volgt de sanguiré, een persoonlijke toespraak die altijd wordt afgesloten met de bevestiging van de ouders en grootouders van de spreker. Camilo Manduca Apurinã vat het als volgt samen:

“Als je de sanguiré snijdt, moet je de naam van je vader, moeder, grootvader onthouden. Wat je wilt zeggen, moet je zeggen op het moment van de sanguiré. Wat er ook gebeurt, daar moet je tijdens de sanguiré achter komen.”

 

Apurina sjamanen

Voor de Apurina zijn de oorsprong van de ziekte en de genezing van de sjamaan stenen. Een steen is wat de sjamaan in staat stelt te genezen en wat hem in staat stelt ziekte en dood te veroorzaken. Tijdens het begin van de training van een sjamaan is de eerste stap dat hij maanden in het bos blijft, vastend of heel weinig eet en katsawaru kauwt. Seksuele omgang moet ook worden vermeden.

Een Apurinã-sjamaan werkt door middel van dromen. Hierin vertrekt zijn geest, bezoekt andere plaatsen en voert taken uit. Andere geesten begeleiden de sjamaan op deze reizen: de dieren en de dierenhoofden (hãwite) met wie hij samenwerkt. Elke sjamaan bezit er één of meer: ​​de jaguar, de slang of de mythische mapinguari.

Wat anderen als dieren zien, ziet de sjamaan als mensen en sommigen als familie.

Een van de functies van een sjamaan is bijvoorbeeld om ze te laten stoppen met “kwellen” of om slangen te laten stoppen met bijten.

Als ze sterk zijn, zullen de sjamanen naar verschillende landen reizen: onder de grond waar ze leven, tot onder de rivier, zelfs naar de lucht, waar Tsora leeft. Hoe sterker de sjamaan, hoe meer plaatsen zijn geest kan gaan.

 

De Apurina en de verzameling rubber

Systematische contacten tussen de Apurinã en niet-indianen begonnen als resultaat van de rubberoogst. De Purus-vallei werd in de 18e eeuw verkend door rondtrekkende handelaren op zoek naar de zogenaamde “drogas do sertão” (producten van het binnenland): cacao, copaiba-balsem, schildpaddenvet en rubber. Sommige van deze ontdekkingsreizigers vestigden zich en er begonnen zich verwerkingsfabrieken te vestigen op de lagere Purus. In de jaren 1850 en 1860 werden verschillende expedities gestuurd om de rivier te verkennen en in kaart te brengen. Tegen die tijd werkten sommige Apurinã naar verluidt al voor niet-indianen.

De Purus was bezet door rubber. De exploitatie begon in de jaren 1870 en tegen 1880 was de Purus voor de gehele lengte bezet door niet-inheemse volkeren. De rubberoogst nam af na 1910 toen de Aziatische productie begon, waartegen de Braziliaanse productie niet kon concurreren. Omdat er geen markt was, werden de rubberboerderijen door de eigenaren verlaten. De seringueiros (rubbertappers) en indianen bleven overleven door zelfvoorzienende landbouw (die grotendeels verboden was op rubberboerderijen) en de handel in andere producten zoals paranoten.